Reviews

4.7/5

4.9 van 5 sterren

4.5/5

4.9 van 5 sterren

Offensief tegen taxatiemethodiek?

Het is onrustig in ‘de auto-import-branche’. Begin dit jaar is de Uitvoeringsregeling bpm verder aangescherpt en wordt het taxeren van een importauto verder onaantrekkelijk gemaakt. De Belastingdienst ervaart een ‘grote uitvoeringslast’ bij de bpm-aangiften met taxatierapporten. Demissionair Staatssecretaris Marnix van Rij heeft er zijn missie van gemaakt om de handhaving van bpm bij parallelimport te versterken.

Doorlopend worden er  discussies opgeroepen en ook gevoerd over onder andere -niet uitputtend- de volgende zaken:

  • schade versus normale gebruikssporen;
  • het niet langer kunnen invoeren van schadeauto’s;
  • gebruiksschade die wel of niet inherent is aan het normale gebruik;
  • de vraag of een voertuig bij invoer nu wel of niet ‘nieuw’ is;
  • het verplaatsen van het belastbare feit (het moment waarop de bpm verschuldigd raakt) is van tenaamstelling naar registratie;
  • budgetneutraliteit na de omzetting van NEDC naar WLTP als bpm-grondslag.

en ga zo maar door.

Het standpunt daarbij lijkt te zijn dat de toepassing van taxatierapporten in de bpm een veel te hoge uitvoeringslast met zich meebrengt. De jaarlijks toenemende populariteit van het taxatierapport leidt tot meer en meer discussie. Discussie die leidt tot bezwaar, hoger beroep en cassatie.

Daarbij wordt er volgens Van Rij c.s. ook oneigenlijk gebruik gemaakt van het recht op proceskostenvergoeding. Dat stoort Van Rij c.s. en de belastingdienst lijkt een vrijbrief te hebben gekregen om er alles aan te doen om het gebruik te ontmoedigen. Daarnaast is op z’n zachtst gezegd ‘opmerkelijk’ dat de Rechtspraak momenteel ook vrij makkelijk ‘meegaat met de belastingdienst’ in (hoger) beroepsprocedures.

Dat deze kanteling ongeveer gelijktijdig geschiedde met het uitblijven van stakingen door de Rechtspraak, de loonsverhoging van 7% voor de Rechtspraak (met terugwerkende kracht tot 1 juli 2022) en de hoge werkdruk van de Belastingdienst en de Rechtspraak, geeft te denken. Ik uit hier geen beschuldigingen, maar dit tezamen geeft toch een onprettig gevoel en kan ik op zijn minst beoordelen als een ‘zeer toevallige’ samenloop van omstandigheden.

Daarbij opgeteld lijken uitspraken, met name in de lagere rechtspraak, momenteel dermate ‘partijdig’ waarbij de ‘omgekeerde bewijslast’ verder onredelijk wordt verzwaard. Een simpel voorbeeld is de vraag of een voormalige huurauto (met een altijd gerechtvaardigde extra afwaardering) daadwerkelijk een voormalige huurauto is. Waar voorheen een bewijs op het kenteken voldoende was, wordt nu verzocht om administratieve verantwoording van de daadwerkelijke inzet als rental. Je vraagt je dan toch af: hoé dan en op welke wijze kán er überhaupt aan een dergelijke vergezochte bewijslast worden voldaan? Met name daar dezelfde Rechtbanken en Hoven tot voor kort nog vertrouwen ontleende aan het kentekenbewijs. De Rechtspraak gaat aldus tegen haar eigen bestendige rechtspraak (jurisprudentie) in. Hoé deze ontwikkeling in de lagere rechtspraak zich voortzet bij de Hoge Raad en ultimo voor het EU Hof van Justitie, laat zich nog ontwikkelen. Intussen wordt de branche in onzekerheid gebracht en gehouden.

Knijp en Piep

Momenteel bezoekt de Belastingdienst diverse klanten van taxateurs. Daarbij wordt aangestuurd op ‘stoppen met taxeren en intrekken van lopende bezwaar en beroepsprocedures’ ten gunste van ‘laten rusten van het verleden’. Dat ‘laten rusten’ ziet dan op een belofte van niet opleggen van forse bpm-naheffingen ‘op alle aangiften gedaan met taxatierapport’. Het is nog maar de vraag óf er een rechtmatige naheffing opgelegd kán worden als de belastingdienst geen hertaxaties heeft laten uitvoeren. De, naar mijn overtuiging onrechtmatige, dreiging heeft echter al meerdere importeurs doen zwichten. In de vaststellingsovereenkomst (VSO) met de importeur (opgesteld door de belastingdienst) wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat de VSO zónder enige druk van de belastingdienst tot stand is gekomen. Deze in hoge mate verwerpelijke werkwijze boekt echter voor dit moment redelijk succes voor de fiscus. Uiteraard maakt de belastingdienst daarbij de grootste stappen bij de grootste importeurs. Deze worden momenteel met enige regelmaat ‘koud gesteld’. De werkwijze is strijdig met het vrije verkeer van goederen en de grondslag voor het recht op toepassing van een taxatierapport op grond van het bekende EU-arrest Gomes Valente in de hoogst denkbare mate.

Deze werkwijze staat intern bij de belastingdienst bekend als de Knijp en Piep methode. De Belastingdienst brengt een correctie aan (‘knijpt’), draait de correctie terug bij degene die de correctie piepend aanvaardt en laat de correctie in stand bij degene die niet piept in de overtuiging van diens recht. Zo ver zijn ze gezonken …. Het idee dat leeft is dat bij dergelijke afspraken sprake is van een ‘ruling’. Waar een ‘ruling’ op zich al discutabel is, is er hier geen sprake van een ruling omdat een ruling is gebaseerd op een initiatief van de belastingplichtige. Hier gaat de Belastingdienst ‘de boer op’ om middels een oneigenlijke pressie importeurs af te houden van toepassing van de taxatiemethodiek voor bpm-aangifte. Indien u ook in het vizier van de Belastingdienst komt, neem dan graag direct contact met ons op. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat uw handelsbelangen, gebaseerd op Europees vrij goederen verkeer en verbod op fiscale discriminatie, worden geschaad door de Belastingdienst.

Twaalf jaar geleden (2011) loste Bolsenbroek & Partners een soortgelijke onrechtmatige wijze van naheffing op voor 150 van haar klanten. Het belang was 8 miljoen euro waarvan Bolsenbroek 6,5 miljoen boven water wist te krijgen. Die geschiedenis lijkt zich te gaan herhalen.

Kind met een waterhoofd

De bpm heeft zich sinds de invoering in 1993 en vooral sinds de (EU verplichte) invoering van de taxatie- en koerslijst methodiek) ontwikkeld tot een kind met een waterhoofd. Nu wil ik zéker geen beeld oproepen van een ontploffend kinderhoofd maar de systematiek zoals die nu is, is aan beide zijden misschien ook wel niet langer hanteerbaar. De uitvoering en de toepassing is zo complex gemaakt met het telkens weer plakken van nieuwe pleisters, dat het systeem op exploderen staat. Toch lijken de bpm-inkomsten (1,5 miljard euro in 2022) zo belangrijk te zijn dat het maar op deze wijze moet. Het almaar weer verder complexer maken van de bpm-heffing duurt intussen voort. Om als parallel-importeur aan die complexiteit nog uitvoering te geven, wordt steeds ondoenlijker. Een voorbeeld:

De ‘verlegging van ‘het belastbare feit’ (van het moment van tenaamstelling/aanvang gebruik van de weg naar datum afronding inschrijving RDW kentekenregister) leidt tot een grote mate van onwerkbaarheid en regelrechte importbeperking. Het taxatiemoment (opname) mag niet verder dan 1 maand voor de RDW datum liggen en niet één dag erna. Waar de RDW soms wéken doet over de verwerking na aanmelding ter identificatie, verloopt een taxatierapport onverbiddelijk. Niet uit te sluiten is dat dit een bewust gekozen frustratie methodiek is en als zodanig wordt toegepast.

Veel parallelimporteurs nemen het daarbij ook niet heel precies met hun dienstverleners (taxateurs). Het taxatietarief en de bpm-uitkomst zijn vaak leidend waarbij men niet kijkt naar waar men voor tekent. Hoewel ik zeker niet de illusie heb dat Bolsenbroek & Partners van alle kritische toezicht is ontheven (gelukkig niet zou ik zeggen) zien we wél dat bepaalde conculega’s momenteel wel héél veel aandacht krijgen.

De laatste weken zijn meerdere taxateurs én vermeend frauderende opdrachtgevers van het bed gelicht en enkele dagen vastgezet op het politiebureau. De aanklachten gingen over vermeende valsheid in geschrifte in combinatie met lichtzinnig taxeren. Dit komt voort uit het feit dat bij hertaxatie door Domeinen ‘geen schade’ werd geconcludeerd. Aldus houdt de aanklacht in dat er verschil van inzicht is tussen twee deskundigen over de aanwezige schades op voertuigen. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof (m.n. overweging 31) volgt dat schade persoonlijk is te interpreteren en dit daarmee in beginsel niet kan leiden tot valsheid in geschrifte waar de aanklacht onder meer op zou zien.

Het kan allemaal verklaarbaar zijn en is ook voor mij iedereen onschuldig tot de rechtmatige veroordeling. Het scheiden van enig kaf van koren kan echter geen kwaad. Zoals van Rij heeft aangekondigd, controleert de Belastingdienst niet langer enkel aan de achterkant, maar ook aan de voorkant waarbij de Belastingdienst niet langer schroomt om bedrijven ‘’angst aan te jagen’’ onder het mom van compliance. Als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Zie in dat kader ook de hier te lezen ‘Uitvoerings en Handhavingsstrategie Belastingdienst’.

Ik hecht veel waarde aan een gedegen en eerlijke taxatie die invulling geeft aan het vrije verkeer van goederen én fiscale discriminatie uitsluit. Daarbij kom ik ook op voor de belangen van onze beroepsgroep. De wijze waarop de Belastingdienst momenteel onoorbare druk uitoefent vraagt aldus ieders aandacht.

No-cure-no-pay

Mede aanleiding voor het ‘offensief’ is de conclusie dat er vermeend veelvuldig misbruik van procesrecht wordt toegepast op import met taxatierapporten. Deze ‘praktijken’ worden over één kam geschoren met WOZ zaken. Het is daarbij bijzonder jammer dat er niét gekeken wordt naar de aard van het bezwaar. Daarbij is te onderscheiden:

  • bezwaar tegen een naheffingsaanslag (vergoeding van proceskosten bij gelijk + termijnoverschrijding vergoeding)
  • bezwaar tegen de eigen aangifte (alleen termijnoverschrijding vergoeding)

In beide gevallen ontstaat, als de procedure langer dan twee jaar duurt, een aanspraakmogelijkheid op een Immateriële schadevergoeding (ISV) ‘wegens overschrijding van de redelijke termijn’. Met name de massaliteit van bezwaren tegen eigen aangifte leiden tot die hoge uitvoeringslast.

Van Rij wringt zich in állerlei bochten om de proceskostenvergoeding te elimineren. Hij plakt wéér een pleister op de etterende bpm-wond. De gedachte lijkt daarbij te zijn dat als de geldstroom opdroogt, de procedures dat ook doen. Ik voorspel een tegenovergesteld effect. Er zullen alleen maar méér procedures komen. Van Rij weet dúidelijk niét waarover hij het heeft; praat met ‘brancheverenigingen’ die de branche helemaal niet concreet vertegenwoordigen (NIVRE en BOVAG) en praat niet mét degenen die in zijn ogen de problemen veroorzaken maar óver diegenen (taxateursorganisaties en NCNP dienstverleners). Dat is bijzonder kwalijk.

Onjuist informeren van de Tweede Kamer

Daarbij ként Van Rij de grondslag voor ‘werkelijke waarde’ in de bpm ook niet. Van het voorkomen van fiscale discriminatie (art. 110 VWEU) heeft hij niet gehoord of slechts selectief. Op 20 april 2023 informeert Van Rij de Tweede Kamer met een brief ‘Stand van zaken versterking handhaving op de bpm parallelimport. Hij moet uiteraard draagvlak zien te verkrijgen voor zijn voorgenomen beleid. Als hij het in die brief heeft over Bij het gebruik van taxatierapporten kunnen zich afwijkingen voordoen tussen de de werkelijke waarde van het motorrijtuig en de getaxeerde waarde opgegeven in de aangifte bpm.geeft dat blijk van het feit dat hij niet goed is geïnformeerd, niet goed wordt geïnformeerd of niet goed geïnformeerd wil zijn. Dat rolt natuurlijk door in het onjuist informeren van de Kamer.

Werkelijke waarde

Waar het waterhoofd van het kind steeds groter word, verwerd de waarde voor de bpm-aangifte al jaren geleden tot de term ‘werkelijke waarde’. De getaxeerde waarde ziét aldus op de werkelijke waarde. Wat Van Rij niet begrijpt, is dat dié werkelijke waarde niét mag leiden tot fiscale discriminatie. Die werkelijke waarde voor de bpm ziet op ‘de waarde bij inkoop door de handel van een particulier’. Dat is, in relatie tot de verboden discriminatie, niet uit te leggen als dat de handelaar van een particulier koopt, maar ziet op de situatie dat de particulier inkoopt alsof deze handelaar is. Immers; als een niet-handelaar een auto inkoopt én waardevermindering moet (laten) herstellen moet hij ‘bruto’ betalen. Hij heeft niet de inkoopvoordelen van de professional. Als je kijkt naar de waardevermindering vanuit het perspectief van de handelaar met ‘netto’ herstelkosten van de waardevermindering, zou hij immers uitkomen op een lágere waardevermindering dan de particulier waardoor er een hogere taxatiewaarde zou ontstaan dan voor de niet-handelaar. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling van de EU-wetgever zijn geweest en dat is het ook niet. Het verlangt alleen inzicht en common sense om dat in te kunnen zien.


Enkel en alleen om dié reden krijg je waarderingen waarbij je vraagtekens kúnt zetten. Maar als het goéd is gedaan, kloppen deze waarderingen wél. Daarom is de ‘getaxeerde waarde’ die Van Rij zo verwondert niet gelijk te stellen met zijn uitleg van ‘werkelijke waarde’. En dáárom zijn inkoopnota’s, herstelnota’s en verkoopnota’s volstrekt overvraagd als bewijs in procedures of als verlangde bijlagen bij de aangifte.

Alhoewel de Hoge Raad [1] reeds duidelijkheid heeft gegeven over het niet overleggen van herstelfacturen- wat inhoudt dat dit ook geen enkel gevolg heeft voor de waardering van het bewijs- en dat de handelsinkoopwaarde moet worden bezien vanuit de consument, blijft deze vraag meermaals in procedures terugkomen. Waar de lagere Rechtspraak in casu immer de Hoge Raad volgde, lijkt ook hier sinds medio november 2022 een kanteling te zijn ontstaan. Belastingplichtigen worden nu ‘’afgestraft’’ indien zij niet overgaan tot overlegging van deze stukken. Het zomaar en opeens voorbij gaan aan bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad geeft ook hier weer te denken. Het beoogde effect, het verminderen van procedures, welke Van Rij en de Belastingdienst voor ogen heeft, zal op deze wijze verder weg zijn dan ooit.


[1] De wet vereist naast het taxatierapport niet dat de daarin geconstateerde schade ook daadwerkelijk wordt hersteld: het gaat erom dat de waarde van de auto met inachtneming van de geconstateerde schade wordt vastgesteld. Uiteraard kan feitelijk herstel (blijkend uit bijvoorbeeld reparatienota’s) wel bijdragen aan het bewijs van het bestaan en de omvang van de schade, maar het is geen constitutief vereiste voor het toepassen van een waardevermindering.

Waar dit wél begrepen wordt, maar ook niet zonder slag of stoot, is bij het Europese Hof van Justitie. Steeds meer procedures dringen door tot dit Hof. De komende jaren zullen voor de Staat, dat is althans mijn verwachting grenzend aan overtuiging, écht blamerend worden op veel vlakken die met bpm verband houden.

Dus het denkbeeldige waterhoofd, gáát tóch een keer ontploffen ….

Eén reactie op “Offensief tegen taxatiemethodiek?”

  1. Frank

    Indien er mensen zijn met praktijkervaring op ‘piep en knijp’ vlak of ‘knevelarij’ vermoeden; ik hoor graag je verhaal! Ook als bedrijfsbezoek is aangekondigd deel ik graag onze kennis; ook met niet B&P klanten!

    Werk jij bij de Belastingdienst, DRZ of RDW en je concludeert dat er iets mis is met de ‘betrouwbare overheid’ waar jij eigenlijk voor zou willen staan? Ik luister graag en discreet naar je en samen zoeken we een passende, veilige en nette oplossing. Daar zijn veel mogelijkheden voor. Ik sta voor rechtvaardigheid. In onze beroepsgroep maar ook in mijn verwachting richting Overheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Demissionair Staatssecretaris Fiscaliteit - Marnix van Rij
Demissionair Staatssecretaris Fiscaliteit - Marnix van Rij
Facebook
Twitter
LinkedIn

OP DE HOOGTE BLIJVEN?